Zuzie zwaait af

2005-11-27

Ruim negen maanden geleden is het inmiddels, dat ik mijn eerste log schreef. Het gebeurde zomaar. Ik zat met mijn eigen gedachten in de knoop en schreef ze min of meer automatisch achter elkaar op. Ik had nog geen eigen computer waarop ik geheime documenten kon bewaren, dus zette ik mijn schrijfseltje online. Misschien zou er nog wel iemand op reageren ook, nuttige adviezen in moeilijke tijden.

Schrijven helpt. Wat je opschrijft krijgt structuur. Je leest terug, daar waar je iets bij bedenkt voeg je een regel toe, daar waar je het niet met jezelf eens bent haal je wat weg, en uiteindelijk heb je precies in kaart hoe je je voelt. En dat is fijn.

In het begin is het raar, je eigen gedachten kunnen teruglezen wanneer het je uitkomt. Maar het werkt ook verslavend. Je wordt bang om te vergeten. Sommige momenten zou je het liefst in een doosje willen stoppen, en dat kan. Die gedenkwaardige eerste avond dat ik, net weer vrijgezel, uitging met haar en de eerste twee meter scoorde van wat ik mijn nieuwe leven noemde. Hoe ik mijn collegekaart vergat en daardoor een Feestneus een feestje in mijn bed liet bouwen. De gezapigheid van een van de eerste lentedagen. Hoe gelukkig ik was met mijn nieuwe, maar inmiddels ruimschoots ingeluide leven. De dingen die me in het nachtleven opvielen, de ongeschreven wetten van de vrijgezellenmarkt. De stomme fouten die ik maakte. Schoenen en sokken, drank en dansen, obstakels, wraak en nieuwe vrienden. En u las mee.

Mijn nieuwe leven begon te verouderen. Van fonkelend nieuw en spectaculair tot bekend en doorleefd. En dan die vakantie, waarin ik al mijn routine meenam naar onbekend gebied. Waar domme meisjes me intrigeerden, ik mijn beha kwijtraakte en een van de meest romantische momenten van mijn leven beleefde. Het is mooi geweest. Ik heb genoten. Maar ik was niet alleen, merkte ik na een tijdje. U las mee. En het leek wel of u meer meelas naarmate mijn niet meer zo nieuwe nachtleven mij minder interesseerde.

Mijn eerste logs schreef ik vanzelf en puur vanwege de inhoud, maar al snel begon ik ook aandacht te besteden aan de vorm. En trots als ik was dat het me lukte, liet ik alles lezen aan anderen. Als zij me vroeg of ik nog wat leuks had beleefd, verwees ik haar door naar mijn laatste verhaal. Ze las het en was meteen weer helemaal bij, en bovendien kon ze me nog even vertellen hoe leuk ze het vond om te lezen. Kon ik weer fijn even op mezelf kicken.

Mijn weblog heeft me een aardig portfolio opgeleverd, een portfolio dat me weer een stageplaats opleverde. Ik ben dus erg blij. Maar laten we wel wezen. Ik ben een soap geworden. En al word ik blij als u zegt dat ik leuk schrijf, al gun ik u een lach om maffe acties, het is wel míjn leven dat hier over tafel gaat.

Dus Zuzie zwaait af. Zuzie gaat van schrijven haar werk maken. En Zuzies leven wordt weer wat het is: háár leven.

Argeles, deel 11: HIJ

27-08-2005

Boven staat mijn tas niet meer op stoel nummer zeven.
Iemand heeft hem verplaatst naar de stoel daar schuin achter, die verder leeg is, net als de stoel daarnaast.
Op stoel nummer zeven zit…
Ehhh… Hoe noem je zoiets?
Verward wend ik mijn blik een paar graden. Op de koelbox die het gangpad verspert zit nu een uitermate knappe jongen. Hij is in zowat alles mijn type: zijn wilde haren, zijn volle lippen, zijn enorme bruine ogen, zijn spijkerbroek met scheuren en zijn prachtige figuur.
Dit kan ik benoemen. Uitermate, indrukwekkend knap. Beeldschoon. Het zijn ruime, vage begrippen, ongeveer zo nuttig als het geluid van een vallende speld in het pikkedonker, maar ze bieden nog net een klein beetje houvast. Maar als ik voorzichtig mijn blik weer naar stoel nummer zeven laat glijden, verliezen de woorden hun betekenis. Mijn definities van perfectie blijken ineens zo verouderd dat het verontrustend is om lang te kijken. Niet over nadenken!
Verbluft plof ik dan maar neer op de stoel waar mijn tas neergezet is. Ik groet de niggaz en de domme meisjes en weet me heel behoorlijk voor te stellen aan de indrukwekkend knappe verschijning op de koelbox, maar dan zet ik muziek aan en pak mijn boek. Vandaag geen verleidingskunsten voor mij. Ik heb er gewoon geen zin in.
Boeken zijn goed. De domme gilletjes die mijn muziek overstemden, verdwijnen nu naar de achtergrond. De snoeppapiertjes kunnen mij niet meer kriebelen. En het geronk van de bus werkt ontspannend.
Er valt een schaduw over de letters. Ik kijk op. Wat is dat toch? En waarom draait alles ineens? Het moet een persoon zijn. Een hij. Een HIJ. HIJ maakt een soort muziek, maar ik versta HEM niet. Heeft HIJ een complete klokkentoren in zijn keel? HIJ wijst op de stoel naast me. De uitermate knappe verschijning staat achter HEM in het gangpad. Ze willen hun plaatsen terug. Ik moet – nu echt – mijn plek naast de slapende niggah aanvaarden. Stoel nummer zeven. Ik sta op en probeer een zucht te onderdrukken, maar stoel nummer zeven is ineens bezet, door de beeldschone jongen die net nog in het gangpad stond. Even sta ik stom te wachten tot hij op zal staan, maar dat doet hij niet. De enige plaats die overblijft is die waar ik net vandaan kom.
Naast HEM, want HIJ zit daar inmiddels.
Ergens vanbinnen jubelt iets, maar het dringt nauwelijks door. Er dringt vrij weinig meer door. Ik laat alles over me heen spoelen om later over na te denken.
De smaak van chocolade.
De zachte warmte van een slaapzak.
ZIJN benen.
HIJ deelt alles met me.
HIJ praat, maar ik versta HEM weer niet. Het lijkt een beetje op het zoete Vlaams dat ik de hele week al hoorde, maar dit is iets hogers…
Telkens als ik mijn ogen dichtdoe vergeet ik hoe HIJ eruitziet.
Maar ik voel ZIJN krullen tegen mijn gezicht.
Oooh, de krullen!
De warmte voelt als koorts.
ZIJN neus tegen de mijne.
ZIJN lippen tegen de mijne.
ZIJN tong die om de mijne krult…
De wind steekt op.
De bus heeft geleerd te fladderen.
En ik dwarrel.

De hele nacht.
En ja, dit is ECHT gebeurd. Mijn fototoestel liegt niet.

Argelès, deel 10: pech onderweg

27-08-2005

Het is vakantie, wat wil je dan? Natuurlijk gaat het veel te snel voorbij.
Mijn eigen plekje op deze camping is gereduceerd tot de kwart kubieke meter van mijn rugzak, mijn dagboek puilt uit van de Vlaamse mailadressen, alle tenten zijn ingepakt, niets op deze plek herinnert nog aan mijn bestaan behalve een vergeten blauwe Björn Borg-onderbroek tussen de achtste en negende boom vanaf het toiletgebouw. De maan rijst. En daar is de bus.
Hij zit al voor de helft vol met mensen uit Lloret de Mar. Die stromen nu naar buiten en beginnen te paffen. En ja hoor: daar zijn de domme meisjes en de hood-niggaz ook weer! Ik voel een bui hangen. Als we plaatsen toegewezen krijgen, net als op de heenreis, kom ik onvermijdelijk weer bij mijn malle mede-Nederlanders terecht, en deze keer krijg ik hoe dan ook geen twee stoelen voor mezelf; er gaan meer mensen mee.
‘Mevrouw Zuzie. Stoel nummer zeven,’ bromt de bijzonder nukkige busschauffeur onder zijn snor.
Stoel nummer zeven bevindt zich op de bovenverdieping van de bus, bijna vooraan, maar het duurt even voor ik dat in de gaten heb. Stoel nummer zeven gaat namelijk schuil onder een dikke laag snoeppapiertjes, een gettoblaster en de sportsokken van een niggah. De bijbehorende voeten liggen onder stoel nummer acht, die weer schuilgaat onder een wit laken. Er komt een slaperig soort geronk onder vandaan. In het gangpad staat, vast als een huis, de koelbox waar ik op de heenreis nog zo onelegant overheen denderde. De stoelen naast zeven en acht zijn eveneens bezaaid met snoeppapiertjes, en ook daar zie ik een gettoblaster. Het gesnurk van stoel acht wordt plots overstemd door een geluidje als een rammelaar. Zo verraadt een dom meisje haar locatie: schuin voor stoel nummer zeven.
‘Oooh, dan zitten we gezellig bij Zuzie, kan ze ons leren kaarten,’ zegt een neusstem.
Ik bevries. Het zijn de enige Belgen die de afgelopen week bij niemand aansluiting hebben gevonden. In plaats daarvan hebben ze afgelopen week aan topless zonnende meisjes gevraagd of ze foto’s mochten maken, onder het mom van ‘wij zijn computernerds, gun ons nou die ene keer in het jaar.’
Van schrik laat ik mijn tas op de sokken van de niggah vallen en ren ik weer naar buiten. Mijn lieve Belgen staan nog te roken. Allemaal beneden ingedeeld.
We vertrekken. Ik blijf nog even beneden zitten, maar dan begint de eerste film en ik aanvaard mijn lot. Hoe kom ik aan zoveel pech?

Maar boven staat mijn tas niet meer op stoel nummer zeven…

Argelès, deel 9: Björn Borgondergoed

23-08-2005

Bij gebrek aan een muur sloeg ik mijn hoofd maar eens hard tegen een tentstok.
Hoe kon ik nou zó stom zijn?
Laat géén bewijsmateriaal achter.
Geen sokken.
Geen elastiekje.
Liefst niet eens een gebruikt condoom.
Maar je beha!
Vloek, scheld.

In de dagen die volgden bracht ik veel tijd aan het strand en uitgaand door met de Belgen en keek ik zo vaak en zo onopvallend mogelijk in de richting van die drie tenten. Vijftig meter afstand. Hooguit drie minuten inclusief zoeken. Maar de jachtvelder, de kluns en de opdracht leken tent- en hangmathangen hoog op het lijstje nog-te-doen-nu-we-er-toch-zijn te hebben staan.
Op de ochtend van de derde dag kreeg ik eindelijk de kans zijn tent door te spitten. Ik zocht meer dan drie minuten, maar vond niets.
Vloek! Scheld!
Het was mijn favoriete beha. Glanzend rood, en hij paste precies. Ik wilde hem terug!

Het is laat in de middag en ik kom gebruind en gebrand van het strand na een dag heftig windsurfen. Dat kan ik nog, al heb ik het jaren niet meer gedaan! Ik ben uitgeput van de lange dag op het water, maar het gevoel is fantastisch – ronduit orgastisch eigenlijk; ik wil nu het liefst languit neerstorten en hardop kreunen van voldoening.
Voldoening… Vier dagen geleden schopte ik een stormram van me af en trapte hem keihard op zijn pik. Hij had mijn beha als trofee kunnen gebruiken, maar voorzover ik weet heeft hij het niet gedaan. Als hij het wel doet, doe ik een boekje over hem open.
Dit zijn de ongeschreven regels.
Zo is het pact.
Ik ben niet ontevreden.
Daar is mijn tent. Ik wil de rits opentrekken, maar mijn oog valt op iets blauws dat ervoor in het gras ligt. Niet aanraken, eerst goed bekijken. Ik bekijk het goed.
Het is een Björn Borg-onderbroek.
Hm…
Ruilhandel?

Argelès, deel 8: beha

22-08-2005

Zuzie ging geen bewijsmateriaal achterlaten op die onheilsplek.
Neen.

Waar is dan nu haar beha?

Argelès, deel 7: hoofdstuk 8: Stormram

22-08-2005

Ik weet bijna zeker dat hij niet slaapt, maar hij doet in elk geval netjes alsof. Ik moet hier weg. Waarom is het hier zo’n volkomen chaos? Haast! Ik kan mijn linkersok niet vinden, maar deze keer verdom ik het om hem achter te laten; ik ga geen bewijsmateriaal achterlaten op deze onheilsplek! Daar is de sok. Ik neem niet de moeite meer aan te trekken dan mijn broek, schoenen en sweater. De rest prop ik in mijn zakken. Weg hier!
De rits maakt een oorverdovend ritsgeluid. Zijn zijn vrienden al hier? Zijn ze wakker? Liggen ze zich in hun eigen tenten te verkneukelen om wat mijn opdracht aan het doen is geweest? Hebben ze met gespitste, rode oortjes liggen luisteren? Gatverdamme! In een poging mijn gevallen topje op te rapen grijp ik pardoes in het gebruikte condoom. De gedachte aan wat erin zat en hoe dat mij behandelde is te gruwelijk. Het bloed vliegt naar mijn wangen. Neee!
Even flitsen mijn gedachten terug naar die verbluffend mooie eerste twee meter van mijn toen nog zo nieuwe leven. Die bleek nog het best te vergelijken met een enorm konijn. Ik vond hem slecht. En nu, na een half jaar, nu is mijn nieuwe leven niet meer nieuw. Ik ben een doorgewinterde ouwe rot in het vak. En ik weet nu wat slecht is. Achter mij ligt Konijn In het Kwadraat. Powerkonijn. Stormram. Gatverdamme!
Ik kruip de tent uit. Haast! O, ik wil niet dat iemand dit weet! Laat me bij de oversteek naar mijn tent – vijftig meter – alsjeblieft niemand tegenkomen! Laat die Stormram alsjeblieft zijn kop houden tegen iedereen! Gatverdamme!

Nog nooit heb ik iemand geconfronteerd met slechte prestaties. Zuzie mag dan een beetje arrogant zijn, dat doet ze niet. Dééd ze niet. Net deed ik het wel.
Ik duwde hem van me af.
‘Gast, gatverdamme! Je doet me gewoon pijn!’
‘Nietes.’
‘Welles! Gatverdamme!’
‘Jij bent gewoon niks gewend!’
‘Nee, Stormram, ik ben vérwend!’

Glimlach. De kans dat hij dit aan zijn vrienden vertelt, is misschien nog helemaal niet zo groot.

Argelès, deel 6: inhaalactie

22-08-2005

Mijn naam is Floris. Ik ben reisleider in Argelès. Al acht weken ben ik hier. Ik heb gekke dingen meegemaakt. Ik mis mijn vriendin. Vanavond ben ik voor negende keer voor de tweede keer met een verse groep op stap. Gelukkig zijn het allemaal Belgen, die zijn toch wat bescheidener. Trouwens, dat Nederlandse meisje kan ook niet veel kwaad. Nou, helemaal braaf is ze anders ook niet. Zoals ze gisteravond in die kooi stond!
Ik kijk nog maar eens rond. Het is een discotheek, ja, een echte. Zo een met lichten waarover is nagedacht, spiegels, palen, een kooi en overal verhogingen. Mijn gasten vermaken zich prima. Eentje steekt erbovenuit. Dat Nederlandse meisje natuurlijk, die Zuzie, die staat weer ergens bovenop. Goed, goed, ze kan het hebben. Een bekende van haar, die ze hier stomtoevallig tegenkwam, denkt er duidelijk ook zo over. Hij loopt haar al de hele avond in haar zij te porren. Ik heb de afgelopen acht weken een radar ontwikkeld voor dat soort dingen.
Ik wil mijn vriendin in haar zij porren.
Mijn vriendin is niet hier.
Ik wil naar het kamp.
Ik wil haar sms’en.
En dan naar bed.
Dag allemaal!

Ooooh, de actie! Ik ben weer helemaal los. Laat mij maar, ik vermaak me wel. Maar die opdracht van mij, die laat me niet. Hij loopt me al de hele avond in mijn zij te porren. Ik zwéér dat ik niks ondernomen heb, maar ik blijk toch al aardig op weg mijn opdracht te vervullen. Ik zwaai maar eens naar Floris. Hij doet zijn best om vrolijk terug te zwaaien, maar ik kan zien dat hij doodmoe is. Wat wil je ook. Ik mag hem wel.
‘Ik ga. Kom bij me slapen,’ zegt mijn opdracht.
Zozo, de directe aanpak. Maar dat kan ik ook.
‘Nee.’
‘Alsjeblieft?’
‘Sorry, maar ik heb hier iets te veel ervaring mee.’
Zo is het ook. Het is niet dat ik niet zou willen. Maar als ik meega, kom ik de hele week niet meer van hem af. Als we nou morgen weer naar huis gingen…
Hij gaat. Hij gáát! Hee, dat had ik niet verwacht. Ik blijf, maar ik denk. Ik denk, stiekem, dat dit erop wijst dat hij er net zo over denkt als ik: geen verplichtingen, geen schuine blikken voor de rest van de week. Dan niet toch…?
En ineens sta ik buiten. En ik begin te rennen in de richting die hij uitgelopen moet zijn.
Ren.
Ren.
Zou hij een andere route genomen hebben?
Ren.
Vast. Kan niet anders.
Ren.
Ach, ik
Ren
wel gewoon verder. De kans dat ik rennend veilig aankom is waarschijnlijk honderd keer zo groot als de kans dat ik hem nog tegenkom.
Ren.
Ik bespring hem daar wel vanuit de bosjes ofzo.
Ren.
Kan je lachen.
Ren.
Donker stuk.
Ren.
Mum van tijd.
Camping.
Ik ben niet eens echt buiten adem als ik het terrein oploop. Er zit iemand te sms’en. Dat zal hem toch niet zijn?
‘Floris??? Hoe kan dat nou, jij was net nog daar!’
‘Hee Zuzie. Ik heb gefietst.’

Ik voel me tamelijk blauw van dat dikke blauwtje dat ik net liep. Te veel ervaring, jezus. Wie denkt ze wel dat ze is? Madonna? En die jachtvelder maar zeggen dat ze zou happen. Ik loop nog even langs het strand. Geen zin om te haasten. Dan niet hoor, trut. Ik ben toevallig wel de koning. Compleet met Björn Borg-ondergoed. Dat ze maar lekker alleen slaapt.
Wat een donker stuk is dit toch. Ik hoop niet dat ze het alleen loopt. Zij doet echt alles alleen, ik zie haar er best voor aan dat ze dit ook durft.
En daar is de camping. Ik stiefel rustig naar mijn tent, maar ik meen nog een spoortje gezelligheid te ontwaren, daar bij de reisleiderstent. FF meechillen dan maar.
‘Hee opdracht.’ Dat lijkt wel Zuzies stem. Verrek, het ís Zuzie!
Man, das net als in de films!
Maar mijn gevatte commentaar blijft uit.
Wow.

Argelès, deel 5: chillen

21-08-2005

Het is net of ik niet echt wakker ben geworden vandaag. Ik heb eindeloos gezapig aan het strand gelegen, een schier eindeloze, gezapige wandeling gemaakt naar het stadje, gezapig boodschappen gedaan en toen al even gezapig eindeloos lekker gekookt, ondertussen eindeloze gesprekken over gezapige onderwerpen voerend met een reisleider en veel reisgenoten.
Tijd voor actie. Ik heb er zin in. Met zijn allen lopen we naar een van de kroegen die we gisteren ook al aandeden. En daar op het terras, met een air van algehele gezapigheid, zitten mijn bekenden. Okee, laat die actie nog maar even zitten.
Ze zijn met drie. De ene ken ik via Frans en kom ik thuis vaak op de zalige jachtvelden tegen. Volgens mij doet hij daar hetzelfde als ik. We herkennen elkaar op zulke avonden, begroeten elkaar enthousiast en informeren naar elkaars toestand. We houden elkaar een paar minuten aan de praat en gaan daarna weer onze eigen weg. Over de tweede heb ik verhalen gehoord. Hij schijnt een echte kluns te zijn en voortdurend op zijn bek te gaan in het bijzijn van alle meisjes die hij eigenlijk heel graag wil versieren. Of dat waar is weet ik nog niet, hij heeft gisteravond alleen laten zien dat hij heel behoorlijk kan dansen. De derde keek ik gisteravond drie keer aan, eerst om te zien wie het was, toen nog een keer omdat ik hem mooi vond en daarna nog eens omdat hij me bekend voorkwam. Hij kwam even later zelf met het antwoord: we zaten bij elkaar op de middelbare school. De jachtvelder gaf me de opdracht hem te versieren. Ik moet natuurlijk niks, dacht ik.
We leunen achterover. De jachtvelder draait vast een sjekkie in het vooruit en steekt het achter zijn oor. De kluns knikkebolt. Mijn opdracht legt zijn benen op tafel. De jachtvelder geeft me een seintje om me aan mijn opdracht te herinneren. Ik zak nog wat verder onderuit en geeuw maar eens hartgrondig. De kluns staat op en gaat richting camping, waarbij hij niet nalaat even te struikelen over een miezerig steentje. Dus toch.
Wij blijven zitten en gezapen door. Wij zijn de prototypie van een woord dat de Fransen niet kennen: gezelligheid.
Ik heb wel zin in actie, maar nu nog niet.

Argelès, deel 4: suïcidaal

21-08-2005

Het is een discotheek, ja, een echte. Zo een met lichten waarover is nagedacht, overal richels om lege glazen op te zetten, spiegels, verhogingen, een houten dansvloer en zelfs een kooi en een paar palen. You name it, they’ve got it. Ik voel me al helemaal thuis hier!
Overal om me heen dansen mijn reisgenoten, zo’n tachtig procent Vlaams en uiterst vriendelijk. Er zijn zelfs – en dat is heel bizar maar wel gezellig – een paar bekenden uit mijn woonplaats, die stomtoevallig op dezelfde camping bivakkeren. Iedereen is al een beetje gebruind of gebrand, rozig door de zon net als ik. Het is een lange stranddag geweest. Ikzelf ben goed op dreef en probeer de verschillende podia uit. En dan staat er ineens een vrouwtje voor me.
Ze is ongeveer één meter veertig lang en tussen de vijftig en zestig jaar, en ze draagt een zwart leren petje. Ze is duidelijk beschonken, ‘kapotlazarus’ zou het domme meisje gezegd hebben. Het vrouwtje wil mijn hand vasthouden, met me dansen. Ik moet er ontzettend van giechelen en vraag een van mijn bekenden ergens een fototoestel vandaan te halen. Hij gaat op zoek, maar komt niet meer terug. Een Fransman neemt zijn plaats in en maakt avances. Wat doet hij dat beleefd! Het vrouwtje wil weer dansen. De versierder ook. Het vrouwtje praat tegen me. De versierder ook. De versierder zegt dat ik mooi dans. Het vrouwtje dat ze levensmoe is.
‘Sorry, WAT?’
‘Je suis fatigué de vivre.’
Ik heb het goed gehoord. Jezus!
‘Pourquoi?’
‘Mon mec est mort. J’ai tout essayé.’
Ze laat me haar polsen zien. Die zien er niet fraai uit. Okee: help.
Ze babbelt verder. De versierder ook. Fijn dat ze zichzelf zo in mijn schoot werpt. Fijn dat hij niet even meedenkt over wat we hiermee moeten. Fijn dat mijn reisgenoten allemaal al weg zijn. Fijn dat ook mijn bekenden juist nu richting uitgang gaan. Fantastisch.
‘Wacht even!’ roep ik naar mijn bekenden.
‘Okee!’
Ik duw het vrouwtje in de armen van de versierder en loop naar de bewaking. Ik begin mijn verhaal, maar dit soort onderwerpen vinden ze blijkbaar niet prettig. Het mag niet hier, ik moet mee naar het kleedhok van het personeel. Daar beloven ze er, na een hoop geklets, werk van te maken. Ik kan weg, maar het heeft lang geduurd.

Natuurlijk zijn mijn bekenden weg, die zagen mij nergens meer. Fijn. Fantastisch. Het is een half uur lopen naar de camping, waarvan tien minuten in het pikkedonker. Geweldig. Sommige mensen zouden mij net zo suïcidaal noemen als dat vrouwtje van net, maar ik ben niet bang. Het moet maar gewoon. Ik blijf bij twee Fransmannen in de buurt die dezelfde kant op lopen. Ze besteden geen aandacht aan me en praten over ongevaarlijke onderwerpen. Dan stoppen ze bij een auto.
Ik kan nu twee dingen doen. Ik kan mijn weg alleen vervolgen, nog een kwartier, waarvan tien minuten in het pikkedonker. Ik kan ook de Fransen om een lift vragen. In beide gevallen ben ik volkomen weerloos, ik heb nog geen huissleutel bij me waarmee ik me zou kunnen verdedigen. Hoe kom ik in deze situatie verzeild? En toch ben ik nog steeds niet bang. Dan zie ik een kinderzitje in de auto. Okee, doe mij die dan maar.

De Fransen zijn geweldig. Ze brengen me tot aan de ingang van de camping en ik bedank ze uitvoerig.
Tevreden zoek ik mijn luchtbed op. Wat ben ik blij dat ik niet suïcidaal ben.